zaterdag 19 februari 2011

Mozes en Maria

Soera 2:87a

De Koran is een bijzonder boek, in de zin dat het al lang bekende zaken op een unieke manier belicht. We zijn inmiddels beland bij vers 87:
87. We gaven Moesa het boek en lieten boodschappers op hem volgen; We gaven Isa de zoon van Mariam bewijzen en ondersteunden hem met de heilige geest ...
Gelukkig is er van alles aan de hand met dit (halve) vers, dat houdt ons tenminste even bezig. Om te beginnen: welk Boek kreeg Mozes eigenlijk, en van wie? Volgens de Bijbel (die moeten we wel lezen, want de Koran helpt ons hier niet) kreeg Mozes twee stenen platen met de Tien Geboden erop. Dat is niet echt een boek. Aan de andere kant: het verzamelde werk dat aan Mozes wordt toegeschreven is niet één boek, maar vijf: de boeken Genesis t/m Deuteronomium. Samen heten die wel de Tora, maar dat kun je weer niet met 'Boek' vertalen.

Fragment van Jesaja, een
van de "Dode Zee-rollen"
Verder: "(we) lieten boodschappers op hem volgen;..." Het woord "boodschapper" (rasoel in het Arabisch), wordt in de Koran gebruikt voor wat in de Bijbel een profeet (Hebreeuws: nabie) heet. Goed, volgens de Koranschrijver is er op Mozes dus een serie profeten gevolgd. Dat ook die profeten het nodige aan het papier hebben toevertrouwd, denk bijvoorbeeld aan het beroemde boek Jesaja, schijnt de Koranschrijver niet te weten. Nergens in de Koran vinden we een vermelding van de geschriften van deze profeten: de Koran heeft het alleen over "het Boek" van Mozes (de tawrat), de Psalmen, (zaboer) en "het Evangelie" (dat evengoed niet één boek is). In één adem met de profeten introduceert de Koranschrijver vervolgens Jezus.

In de Koran vinden we de naam Jezus bijna altijd met het achtervoegsel "de zoon van Maria", als een soort achternaam. Die constructie vinden we in de Bijbel alleen bij de sceptische inwoners van Nazareth (zie Marcus 6:3), verder nergens. Waarom moet de Koran dan zo nodig benadrukken dat Jezus de zoon van een zekere Maria was? Het antwoord: om zijn menselijke natuur te onderstrepen en om iets anders te zeggen dan christenen. Dus geen "Jezus Christus", geen "Jezus de zoon van God" of eventueel "Jezus de Mensenzoon", maar "Jezus de zoon van Maria", zoals die andere lui die Jezus graag in hun eigen hokje wilden stoppen.

De Koran stopt Jezus in het hokje van de serie profeten na Mozes. Islamitische profeten welteverstaan, stuk voor stuk succesnummers die bij wijze van spreken te paard door het leven gingen. Dat Jezus aan een kruis werd genageld als een ordinaire misdadiger ging er bij de Koranschrijver niet in. Volgens hem is dat Jezus dus ook nooit overkomen, want dat past niet in het plaatje.

Ten slotte nog even wat aandacht voor Maria. Dat deze dame in de Koran bij naam genoemd wordt, is heel bijzonder. Andere vrouwen in de Koran worden alleen aangeduid als "de vrouw van", alsof hun naam er niet toe doet. Waarom vond de Koranschrijver Maria zó belangrijk?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Op- of aanmerkingen? Plaats ze hier...