woensdag 7 september 2011

Ark zonder verbond

Soera 2:248


In het Bijbelboek Exodus wordt voor het eerst gesproken over de Ark van het Verbond, een vergulde kist met daarin de stenen tabletten met de Tien Geboden. Volgens Hebreeën bevond zich daarin ook nog een kruik met manna (zie ook Ex. 16:33) en de staf van Aäron (Num. 17:10). Op het deksel stonden twee gouden figuren, zogenaamde cherubs, die hun vleugels uitspreidden over dat deksel. Over deze Ark van het Verbond doet de Koran ook wat mededelingen, namelijk in verband met het koningschap van Saul.
248. En hun profeet zei tegen hen: "Zeker, het teken van zijn koninkrijk is dat de kist naar jullie zal  komen met daarin rust van jullie Heer, en een overblijfsel van de relikwieën die het huis van Moesa en het huis van Haroen hebben achtergelaten, door de engelen gedragen; hierin is een teken te zien voor hen die geloven.
Met "de kist" wordt ongetwijfeld de Ark van het Verbond uit Exodus bedoeld, een conclusie die Yusufali zelfs direct in zijn vertaling verwerkt. "Hun profeet" is hier nog steeds Samuël; met "zijn koninkrijk" wordt het koninkrijk van Saul bedoeld. "Moesa" en "Haroen" zijn respectievelijk Mozes (Hebreeuws: Mosje) en Aäron (Hebreeuws: Aharon). Tot zover de overeenkomsten.

Nu de verschillen. Volgens de koranschrijver vinden we in de kist "rust" en "een overblijfsel van relikwieën" van (het huis van) Mozes en Aäron. De argeloze lezer kan op grond van dit koranvers onmogelijk vermoeden dat deze kist de bekende "stenen tafelen" met de Tien Geboden bevatten. Als de schrijver dit wel wist, dan wist hij dat in elk geval goed te verbergen. Vreemder nog is het verband dat hij legt met Saul. Tijdens diens koningschap staat de ark namelijk in Kirjath-Jearim en blijft daar ook; pas tijdens de regeringsperiode van zijn opvolger David komt de ark weer naar Jeruzalem, en niet op de manier die de koranschrijver suggereert (zie 2 Sam. 6). Als er al een koning was wiens gezag door de aanwezigheid van de ark werd gesteund, dan was dat wel David en niet Saul.

De vaagheden, vergissingen en verhaspelingen in deze tekst roepen de vraag op hoe veel de koranschijver nu echt wist van de Bijbelse geschiedenissen waar hij op zinspeelt. Het lijkt erop dat hij de klok wel had horen luiden maar niet wist waar de klepel hing, dat hij de verhalen "van horen zeggen" had. En het was niet goed gezegd, of hij had het niet goed gehoord...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Op- of aanmerkingen? Plaats ze hier...