woensdag 12 januari 2011

Een koe A.U.B.

Soera 2:67-71

Alle soera's in de Koran hebben een naam gekregen die iets zegt over een onderwerp dat in de betreffende soera aan de orde komt. Bij soera 2 is dat "de koe", naar het korte verhaal dat bij vers 67 begint:
67. En toen Moesa tot zijn volk zei: "Zeker, Allah geeft u de opdracht dat u een koe moet slachten", toen zeiden zij: "Probeert u ons bij de neus te nemen?" (En) hij zei: Allah mag me halen als ik van de onwetenden ben!
Het eerste vers van het verhaal is meteen al problematisch. Om te beginnen zou Allah opdracht hebben gegeven aan "zijn volk" (dat moeten de Joden dan wel zijn) om een koe te offeren. Nu heeft Allah natuurlijk nooit iets bij monde van Mozes tegen de Joden gezegd, dat was namelijk Jahweh. Moslims bedoelen met Allah wel dezelfde, maar het is toch opvallend dat de naam Allah talloze malen in de Koran voorkomt en Jahweh nooit. Enfin, dat is een kwestie van gewoonte zullen we maar zeggen. Vreemder is dat het offeren van de koe nogal uit de lucht komt vallen. Waarom moet er eigenlijk geofferd worden? De Bijbel geeft het antwoord. We lezen in Numeri 19:
1. De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: [2] Dit is de wetsverordening die de HEERE geboden heeft: Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij een rode koe zonder enig gebrek bij u moeten brengen, waaraan geen onvolkomenheid is, waarop nog geen juk gekomen is.
Het waarom? Dat vinden we iets verderop:
9. En iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en buiten het kamp op een reine plaats wegleggen. Die as is voor de gemeenschap van de Israëlieten om te bewaren, bestemd voor reinigingswater. Het is een middel tot ontzondiging.
Wat je ook van deze stukjes tekst in Numeri denkt, ze zijn wel duidelijk. Ze zijn bovendien onderdeel van een veel groter geheel van instructies met betrekking tot de tempeldienst, offervoorschriften, reinheidswetten en dergelijke. Ze staan dus in een logisch verband.

De tekst in de Koran staat echter in verband met iets heel anders, namelijk in het kader van kwaadsprekerij. Meteen in vers 67 ontstaat een polemiek tussen Mozes en het volk dat hij toespreekt: het volk verdenkt Mozes ervan dat hij hen in de maling neemt, Mozes op zijn beurt voelt zich voor gek versleten. Dat begint al goed.
68. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer wat het (voor koe) moet zijn!" Hij zei: Hij zegt: niet oud of jong, maar ertussenin. Doe (nu) wat je is opgedragen!"
Het volk gaat moeilijk doen en vraagt om nadere specificaties. Mozes geeft hen die, en eist dan onmiddellijke uitvoering van het gebod. Veel gezag heeft Mozes echter niet, dat bleek al uit vers 67, en het volk vraagt doodleuk om méér details:
69. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer wat voor kleur het moet hebben." Hei zei: Hij zegt: helder geel, een lust voor het oog!"
Boodschappenjongen Mozes geeft de gewenste details, en dit herhaalt zich nog een keer:
70. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer om ons duidelijk te maken wat voor soort koe het moet zijn, want wij vinden dat alle koeien op elkaar lijken; als Allah het wil zal hij ons leiden".
71. Hij (Mozes) zei: Hij zegt: zeker, het moet een koe zijn die niet onderworpen is aan arbeid op het land, noch voor irrigatie op het land, volkomen zonder vlek." Ze zeiden: "Nu bent u met de waarheid gekomen." Toen offerden ze het (dier), maar liever hadden ze het niet gedaan.
De lezer kan nauwelijks ontkomen aan de boodschap van de Koranschrijver, namelijk dat de Joden hun God met grote tegenzin dienen. In Numeri lezen we hier wel niets over, maar de Koranschrijver weet het natuurlijk beter. Dat is vanzelfsprekend een waarheid als een koe.

maandag 10 januari 2011

Apen

Soera 2:65-66

De volgende Koranpassage wordt door tegenstanders nogal eens misbruikt om te bewijzen dat de islam niet-moslims, en dan vooral Joden, als beesten ziet. Dat is niet helemaal terecht - het is namelijk nog erger. Eerst even de tekst waar het nu om gaat:
65. En zeker, jullie wisten van hen onder jullie die overtraden m.b.t. de sabbat; wij zeiden hen: wordt apen, veracht!
66. Wij hebben hen als een voorbeeld gesteld voor hen onder wie zij zich bevonden en voor hen die hen achterna kwamen, en (als) een vermaning voor hen die vrezen.
We vinden gelijksoortige passages in soera 7:166 en 5:60, maar in het laatste geval wordt de gebeurtenis beschreven in de verleden tijd, niet als een opdracht zoals in vers 65 hier. Toch is de strekking in deze soera hetzelfde: vers 65 is weliswaar een uitspraak, een soort toverspreuk, maar uit vers 66 blijkt dat deze uitspraak niet zonder gevolgen bleef.

De beschreven gebeurtenis is een les voor de gelovigen, lees: voor de moslims. De verandering in apen zou ook een voorbeeld moeten zijn voor de overtreders van toen en later.

Maar zoals zo vaak in de Koran missen we hier de nodige details. Over welke historische gebeurtenis gaat het hier dan zogenaamd? En wie worden hier bedoeld? Uit het tekstverband kunnen we wel opmaken dat het hier Joden betreft, en dat ligt ook wel voor de hand omdat het de Joden immers geboden was de Sabbat (verplicht vrije zaterdag) te houden, maar veel verder komen we niet.

Met dit verhaal hebben we twee problemen:
  1. Het is absurd (onnodig te zeggen misschien, maar voor de volledigheid).
  2. Als het voor Joden een ernstig vergrijp was de Sabbat te overtreden, waarom lappen moslims, die zich er immers op beroepen de zuivere leer te hebben, de sabbat dan aan hun laars?
Dat dit lot (het veranderen in apen) alleen Joden schijnt te treffen zou je als antisemitisch kunnen opvatten, maar dat hoeft niet per se. Het is meer een kwestie van anti-nietmoslimisme. En daarvan vinden we in de Koran wel krassere voorbeelden, zoals: "Want de slechtsten van de dieren zijn voor Allah zij die ontkenden en dus niet geloofden." (soera 8:55) Eén van de ergste dieren is natuurlijk het varken, en warempel: in soera 5:60 lezen we dat Joden ook dáárin werden veranderd. Dit is onderdeel van een vast patroon in de Koran. Het zijn niet de moslims zelf die bestraffend worden toegesproken, met als doel dat zij hun leven beteren, het zijn steeds de anderen die onder uit de zak krijgen. Wat voor effect zal dat op de gelovige lezers hebben?

Het is in elk geval duidelijk dat de Koran voor niet-moslims geen respect heeft, en voor Joden nog wel het minst. Niets was de schrijvers te dol om deze bevolkingsgroep zwart te maken. Het zal niet verbazen dat deze visie ook in praktijk is gebracht: na de dood van Mohammed maakten zijn volgelingen het Arabisch schiereiland volledig "judenrein".

zondag 2 januari 2011

Manna

Soera 2:61

In de Koran zijn veel fragmenten te vinden die erop wijzen dat de schrijver tenminste iets wist van wat er zoal in de Bijbel staat. Het volgende stukje doet sterk denken aan Numeri 11:
61. En herinner je dat jullie zeiden: "O Moesa! we kunnen niet (langer) één soort voedsel verdragen; vraag voor ons aan de Heer om voor ons uit de aarde te laten voortkomen: kruiden, komkommers, knoflook, linzen en uien." ...
In Numeri 11:4-5 vinden we: Wie zal ons vlees te eten geven? Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflookHet verlanglijstje in Numeri heb ik even vet gemaakt. In de Koran is het lijstje letterlijk vlees noch vis! Ook geen watermeloenen, maar daarvoor in de plaats dan weer wel linzen. Waar komen deze verschillen toch vandaan?!

De term "één soort voedsel" snappen de Bijbellezers onder ons wel: dat is het manna, een suikerachtig goedje dat het volk Israël volgens de Tora te eten kreeg tijdens de woestijnreis na het vertrek uit Egypte. De Koranschrijver lijkt dit niet te weten, ook niet dat het volk met name om vlees vroeg, vandaar het ontbreken van vlees en vis in het soera-verlanglijstje. Uit het vervolg blijkt dat de schrijver ook niet weet hoe het verhaal verder gaat. Hij geeft er een heel eigen draai aan:
(61) ... Hij zei: "Wil je het betere vervangen door het slechtere? Ga naar een nederzetting en je zult vinden waar je om hebt gevraagd!" ...
de (vermoedelijke) "kwakkel"
In Numeri is dit het moment waarop de kwartels verschijnen, de kwartels die ook worden genoemd in deze soera, al eerder in vers 57:
57. En wij waren als wolken over jullie en stuurden jullie manna en kwakkels, ...
Het vervolg in de Koran (vers 61) is duidelijk niet goed, want in de woestijn waar het volk Israël rondzwierf waren geen woonplaatsen, en al helemaal niet op zo uitgebreide schaal dat ze "een nederzetting" konden kiezen om er groenten voor het hele volk te gaan halen. Hoe dan ook, bij de groenteman kregen ze kennelijk nul op het rekest:
(61) ... Ze werden bedolven onder vernedering en ellende en haalden de woede van Allah over zich heen....
Wat er hier volgens de schrijver gebeurde wordt verder niet uitgelegd, wij moeten dat kennelijk maar raden of ergens anders opzoeken.

Tot slot nog één fragmentje van dit lange vers:
(61) ... Dat was omdat zij de tekenen van Allah ontkenden en de profeten onrechtmatig doodden...
Het verwijt van "het ontkennen van de tekenen" (letterlijker: "de tekenen bedekken") komt veel voor in de Koran. Het is een soort mantra dat steeds herhaald wordt als de Grote Fout van de "ongelovigen". Dat andere verwijt, het "doden van Zijn Boodschappers", is trouwens een anachronisme. En tenslotte: in de tijd van Mohammed was het juist de profeet (Mohammed) die anderen over de kling joeg.