Posts tonen met het label Joden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joden. Alle posts tonen

zondag 5 augustus 2012

De machtige halve waarheid

Soera 2:129

Dit vers begint op dezelfde manier als vers 128:
129. Onze heer! En laat onder hen een boodschapper opstaan die hen zal voorlezen en onderwijzen uit het Boek en de Wijsheid, en reinig hen; zeker, u bent de machtige, de wijze.
Sprekers zijn Abraham en Ismaël, die volgens de Koranschrijver de fundamenten van het Huis legden. Dit gebouw kan eigenlijk nergens anders dan in Kanaän hebben gestaan, en de mensen waaraan Abraham denkt moeten dan wel de nakomelingen van Izaäk zijn (de "zoon van de belofte"). Maar de Koran is uit het verband los en laat Ismaël een rol spelen in plaats van Izaäk. Dat geeft de onwetende lezers precies het benodigde zetje om te denken dat de Ismaëlieten het bevoorrechte volk waren, en dat de Boodschapper één van hen zou zijn.

En zo komt het dat een tekst die ooit over de Israëlieten en over Jezus ging, in de islam gelezen wordt alsof het over de Arabieren en over Mohammed gaat. Deze Mohammed onderwees echter niet uit het Boek, de Bijbel, maar las voor uit eigen werk, de Koran. Met wijsheid had dat weinig te maken, en met reinheid nog minder.

zaterdag 25 februari 2012

Jozef (1)

Soera 12:3-19

Soera 12 gaat over Jozef en draagt ook die naam. De introductie van het verhaal over deze man in de Koran gaat als volgt:
3. We vertellen jullie het mooiste verhaal (dat er is), met dat we jullie deze koran onthullen; zeker, hiervoor waren jullie een van hen die het niet kenden.
Maar er was juist een goede kans dat er onder de toehoorders wel degelijk mensen waren die het verhaal kenden. Het was immers ten tijde van Mohammed al zeker een millennium oud en intussen gepubliceerd in allerlei talen, waaronder het Aramees. Joden en christenen uit die tijd zullen het verhaal ongetwijfeld hebben gekend. Maar juist zij zouden bij de versie die de koranschrijver opdist hun vinger hebben opgestoken, want er is van alles mis mee. Om te beginnen begint de koranschrijver niet bepaald bij het begin:
4. Toen Joesef tegen zijn vader zei: "O mijn vader, zeker, ik zag elf sterren en de zon en de maan, en ik zag ze voor me buigen",
De oudere tekst waar de koranschrijver dit van heeft vinden we in het eerste Bijbelboek, Genesis, hoofdstuk 37:
9. (...) Hij zei: Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer. [10] Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, ...
Genesis 37 begint met Jakob, de vader van Jozef, vat nog even samen hoe zijn familie in elkaar zit (daarover in eerdere hoofdstukken van Genesis veel meer), dat Jozef het lievelingetje van zijn vader is en dat zijn broers hem niet kunnen luchten. De Koran slaat deze context over. De Koran laat ook weg dat Jozef niet alleen zijn vader maar ook zijn broers onder zijn gehoor had. In het vervolg van het relaas komen deze weglatingen goed van pas:
5. O mijn zoon, vertel dit visioen niet aan je broers, anders smeden ze een plan tegen je; zeker, de satan is een openlijke vijand van mensen.
Eén vers na het begin van het verhaal is er al duidelijk een andere koers ingezet. Een visioen is bijvoorbeeld wat anders dan een droom. Verder had Jozef de droom al aan zijn broers verteld, dus hoe kon zijn vader hem vervolgens waarschuwen dat niet te doen? En hoe kon Jakob weten dat Jozefs broers een 'duivels plan' tegen hem zouden smeden? Volgens Genesis:
10. (...) bestrafte zijn vader hem en zei tegen hem: Wat is dat voor een droom die je gehad hebt? Moeten wij, namelijk ik, je moeder en je broers, soms naar je toe komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?
Hier lezen we niet dat Jakob de broers van Jozef verdenkt van duivelse plannen, eerder dat hij Józef verdenkt van slechte plannen. En Jakob neemt het op voor zijn broers. In tegenstelling tot de vader-van-Jozef in de Koran, voorziet Jakob ook niet wat Jozefs broers van plan zijn, laat staan dat hij Jozef voor hen waarschuwt. En zo kan het gebeuren dat Jozef op de volgende manier ver van huis komt:
12. Eens gingen zijn broers weg om het kleinvee van hun vader te hoeden bij Sichem. [13] Toen zei Israël tegen Jozef: Weiden je broers het vee niet bij Sichem? Ga, ik stuur je naar hen toe.
Het verhaal dat dan volgt gaat ongeveer zo: Jozefs broers zien hem van een afstand aankomen en besluiten die "meesterdromer" uit de weg te ruimen. "Laten we eens zien wat er dan nog van zijn dromen terechtkomt!" Maar Ruben, de oudste broer, is het daar eigenlijk niet mee eens en laat hem in een drooggevallen put stoppen in de hoop hem later weer mee naar huis te kunnen nemen. Dan ziet Juda kans het nuttige met het aangename te verenigen: hij haalt zijn broers ertoe over om Jozef aan een voorbijtrekkende karavaan Ismaëlieten (of Midjanieten) te verkopen. Om een verklaring te hebben voor Jozefs vermissing sturen de broers zijn jas naar huis, verscheurd en onder het bloed, zodat zijn vader moet denken dat hij door een roofdier is gegrepen. Het 'probleem' is daarmee opgelost, maar Jozef zelf komt in Egypte terecht en vervolgt zijn leven als slaaf.

Nu terug naar soera 12. De vader van Jozef - het is niet duidelijk of de schrijver weet hoe die heet - waarschuwt Jozef in vers 5 voor zijn broers, maar kennelijk heeft dat geen zin, want in vers 8 lezen we:
8. (...) "Jozef en zijn broer zijn onze vader liever dan wij bij elkaar, dat is toch duidelijk verkeerd van die vader van ons.
9.  Laten we Jozef doden of hem naar een of ander (buiten)land laten brengen, (...)".
10.  Iemand van hen zei: "Dood Jozef niet, maar laat hem neer op de bodem van een put; als er reizigers langskomen, dan nemen die hem wel mee".
16. En ze kwamen 's nachts huilend bij hun vader.
17. Ze zeiden: "O, onze vader, echt, we waren gaan rennen en hadden Jozef bij onze spullen achtergelaten, en toen heeft de wolf hem opgegeten. Je gelooft ons zeker niet he? Maar we zijn echt eerlijk."
18. En ze lieten hem het hemd met namaakbloed brengen. Hij zei: "Nee, jullie gedachten hebben het je gemakkelijk gemaakt (...)"
Allerlei details zijn anders in deze versie van het verhaal. Het opvallendst vind ik de brutaliteit van de broers. In Genesis laten ze het verhaal over aan de fantasie van hun vader, maar hier vertellen ze hem precies wat er zogenaamd is gebeurd. Ze staan glashard te liegen. Aan de andere kant trapt hun vader er toch niet in: hij weet dat zijn zoons hem bedonderen en zegt dat ook. De relatie tussen de zoons en hun vader is volkomen verpest. Dat past goed in de islamitische ideologie: de stammen van Israël (de broers) zijn boeven, behalve de profeten (zoals Jakob), dat zijn een soort helderzienden.

En hoe gaat het nu verder, volgens soera 12?
19. Toen kwamen er reizigers. Ze stuurden hun waterdrager, die zijn emmer neerliet. Die zei: "Goed nieuws! Het is een jongen." En zij borgen hem op als handelswaar.
Volgens Genesis waren deze reizigers Ismaëlieten en/of Midianieten, mensen van het volk waarvan de Arabieren met trots menen af te stammen. De koranschrijver 'vergeet' dat te vermelden. Het was misschien niet politiek correct om de verbinding te leggen tussen het hooggeëerde publiek en deze handelaars die Jozef voor een appel en een ei van de hand doen op een Egyptische slavenmarkt.

donderdag 14 juli 2011

Duister

Soera 2:209-211
209. Maar als je terug glijdt nadat de duidelijke bewijsstukken aan je zijn overlegd, weet dan dat Allah machtig is en wijs.
De "bewijsstukken" of "wonderen" van de islam bestaan, naar het zich laat aanzien, uitsluitend in woorden. De Koran is zogezegd een boek vol "wonderen" (ayat), maar "duidelijk" zijn die niet bepaald. In feite is veel in dat boek nogal duister - zonder kennis van de Bijbel zouden we er nog minder van begrijpen. De Koranschrijver neigt dus naar duisterheid, en wel in meer dan één opzicht:
210. Wachten ze er dan op tot Allah naar hen toe komt in de schaduw van de wolken, met de engelen? (...)
De schrijver verraadt zich hier op twee manieren. Vermoedelijk heeft de schrijver gehoord over de volgende uitspraken van Jezus, waar die over zichzelf spreekt:
Mattheüs 16:27. Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen (...)
Marcus 13:26. En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. 
De Koranschrijver veranderde hieraan twee dingen. Hij laat niet Jezus, maar Allah komen, en niet in de wolken of op de wolken, maar in de schaduw van de wolken. Met het eerste probeert hij de christelijke verwachting belachelijk te maken, met het tweede laat hij zijn eigen duistere voorkeuren doorschemeren. In zijn beleving verschijnt Allah namelijk in de schaduw, niet in het licht en al helemaal niet als een licht.

Na het sarcastische intermezzo van vers 210 pakt de schrijver de draad weer op en maakt duidelijker wat hij bedoelt met dat 'terug glijden':
211. Vraag de kinderen van Israël hoeveel duidelijke bewijzen Wij ze hebben gegeven. Maar wie iets verandert aan de gunst die Allah hem heeft verleend... Allah straft zwaar!
Is dit niet huiveringwekkend? De 'bewijzen' voor het gelijk van de islam zijn 'gunsten' waar zeer voorzichtig mee moet worden omgesprongen, anders zwaait er wat!

De tradities willen dat de geschriften van de joden voor zover die de islam tegenspreken afwijken van het origineel dat met de Koran in harmonie zou zijn geweest. Alleen hebben moslims daarvoor letterlijk geen snipper bewijs, wat toch wel als een reusachtig gemis moet worden gevoeld. De idee dat joden fout zitten en moslims goed, wordt dus eigenlijk alleen 'bewezen' doordat de Koran dit beweert.

zaterdag 16 april 2011

Abraham

Soera 2:124-126

Er zijn mensen die beweren dat de Koran en de Bijbel op elkaar lijken. Zo komen we in de Koran namen tegen die we in de Bijbel ook kunnen vinden, en verhalen die doen denken aan de verhalen die de Bijbel vertelt. Maar daar houden de overeenkomsten ook wel zo'n beetje op: de verschillen zijn veel groter. Als de Koran eens een verhaal vertelt dat ons bekend voorkomt, dan is de strekking toch vaak heel anders. Bijvoorbeeld wat we te lezen krijgen over een zekere Ibrahim, ook wel bekend als Abraham:
124. En toen zijn Heer Abraham beproefde met opdrachten, die hij uitvoerde, zei Hij: "Ik heb je tot een leider van de volken gemaakt!" En hij (Abraham) zei: "en mijn nakomelingen?" Hij antwoordde: "Mijn verbond is niet voor de boosdoeners."
Abraham offert zijn zoon Izaäk - bijna
Waar de schrijver hier vermoedelijk op doelt is het verhaal in Genesis 22, waar Abraham de nogal bijzondere opdracht krijgt zijn zoon Izaäk te offeren (wat trouwens op het laatste moment niet doorgaat):
22:16. Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt, [17] zal Ik u zeker rijk zegenen...
"Rijk zegenen" en "leider maken" is niet helemaal hetzelfde, en dat kan te maken hebben met de neiging van de Koranschrijver om Bijbelse personages af te schilderen als een soort Mohammeds. Verder zien we dat de nakomelingen van Abraham er in de Koran niet zo mooi op staan ("boosdoeners"). Maar de Bijbel spreekt daar anders over:
22:18. En  in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
En verder:
26:4. Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, [5] omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.
Waarom noemt de Koran deze nakomelingen dan "boosdoeners"? Logisch: die nakomelingen zijn immers de joden! En wat de Koranschrijver daarvan vindt weten we inmiddels wel.

Aan de andere kant wordt Abraham zelf hoog op het schild geheven:
125. En wij maakten het Huis tot een toevluchtsoord en een heiligdom. Kies als de plaats van aanbidding de plaats waar Abraham stond. En Wij gaven Abraham en Ismaël de opdracht: Wijd Mijn Huis voor hen die er rondgaan, die erin gaan om te mediteren, zich neerbuigen of zich ter aarde werpen.
Maar hier is een probleem. Volgens de Bijbel stuurde Abraham Ismaël weg toen die nog een kind was. Er is dan ook geen enkele aanwijzing dat Abraham met Ismaël ergens een soort moskee heeft gebouwd (vers 127) en ingewijd. Nog sterker (maar dat kan de Koranschrijver niet helpen): moslims denken dat hier de Kaäba in Mekka wordt bedoeld, een plaats waar Abraham op geen duizend kilometer in de buurt is geweest.

We gaan nog even terug naar soera 2:
126. En toen Abraham vroeg: "Mijn Heer, maak dit een vredige plaats en voorzie de inwoners van vruchten, de inwoners die geloven in Allah en de Laatste Dag", antwoordde Hij: "En de ongelovige mag nog een korte tijd van het leven genieten, maar dan onderwerp ik hem aan de kwelling van het vuur, een nare eindbestemming!"
Het lijkt wel of Allah steeds roet in het eten gooit, eerst in vers 124 en nu hier. Maar eigenlijk lezen we hier natuurlijk de boosaardige verlangens van de Koranschrijver zelf, die zijn theologische tegenstanders graag in de hel wil zien branden. Het kennelijke sadisme van de Allah van de Koranschrijver past eigenlijk niet goed bij het beeld dat we van God in de Bijbel krijgen, een verschil dat misschien wel belangrijker is dan alle andere verschillen.

zondag 13 februari 2011

Verbond (2)

Soera 2:84-86

De vorige verzen van soera 2 gingen over het zogenaamde verbond tussen Allah en de 'Kinderen van Israël'. Ik schrijf 'zogenaamd', omdat dat verbond er toch wel heel anders uitziet dan wat we uit de Bijbel kennen. Het verbond met de Joden staat eigenlijk model voor wat de Koran moslims opdraagt, vandaar. Het volgende vers gaat daar nog even op door.
84. En toen we een verbond met jullie sloten: jullie zullen je bloed niet vergieten en jullie zullen je volk niet uit jullie steden verjagen, toen deden jullie een belofte en waren daar getuige van.
De genocide van Banu Qurayza:
Mohammed laat alle mannen van
de Joodse stam in Medina onthoofden
Hier wordt gesteld dat genocide-achtige praktijken jegens de eigen bevolking niet op prijs worden gesteld. Wat er niet staat is weer minstens zo interessant als wat er wel staat: we missen een uitspraak over het uitmoorden en/of uit de huizen verdrijven van andere volken. Dat komt goed uit, want volgens de tradities was dat juist waar Mohammed en zijn kornuiten zich mee bezig hielden. Waarom staat dit deel van het verdrag trouwens zo uitdrukkelijk en apart vermeld? Misschien als opstapje voor het volgende vers:
85. Toch zijn jullie het die jullie volk doodsloegen en een (andere) partij uit hun huizen verdreven, elkaar tegen hen helpend, onwettig en in overtreding.
Met "jullie" worden de joden bedoeld. Over hen, de joden dus, gaat de schrijver nu dingen vertellen die zelfs Mohammed niet deed, namelijk dat zij een zekere partij uit hun woonplaats zouden hebben verjaagd en andere vijanden daarbij hadden gesteund. Dit is wel een ernstige beschuldiging, zoiets zou een vorm van verraad op grote schaal zijn. Om hierover iets te kunnen zeggen zou het wel handig zijn geweest als de Koran ons meer details had gegeven, zoals het waar en het wanneer, maar zoals bijna altijd kunnen we dat op onze buik schrijven. Wel volgen er nog meer beschuldigingen:
(85) ... en als ze bij jullie komen, laten jullie je voor hen betalen als voor krijgsgevangenen, terwijl het onwettig was ze uit te leveren...
Dit is een heel andere zaak: leger A vecht tegen groep B waarvan de vluchtelingen terecht komen bij onze groep C die er losgeld voor laat betalen. Hier zijn de joden dus niet de agressors, maar derden die van de oorlog profiteren. Zo langzamerhand bekruipt ons het gevoel dat het hier niet over één enkele gebeurtenis gaat, maar dat de schrijver de joden ervan beschuldigt dit soort misdaden door de geschiedenis heen te hebben gepleegd. Dat neemt niet weg dat een paar concrete voorbeelden nuttig zouden zijn geweest om te kunnen beoordelen of de schrijver een punt heeft of niet, maar zoals gezegd, dat kunnen we vergeten. In plaats daarvan komt de schrijver vervolgens met een verwijt van een heel andere soort, namelijk dat de Joden onvoldoende gelovig zouden zijn:
(85) ... Geloven jullie dan een deel van een boek, terwijl jullie een ander deel ontkennen? ...
Het is wel heel jammer dat het bedoelde volk na deze retorische vraag niet aan het woord komt. Dat zou dan namelijk op zijn beurt kunnen vragen: "Over welk deel van het Boek heb je het, man?" Wij kunnen die vraag nog wel stellen, maar nu is het te laat voor een antwoord. De Koran helpt ons niet verder. Wat de schrijver ons wèl wil meedelen, is de straf die Allah voor die Joden in petto heeft:
(85) ... Wat dan is de beloning voor die mensen uit jullie midden die dit soort dingen doen, anders dan schande in het leven van deze wereld? En  op de dag van de opstanding zullen zij teruggestuurd worden naar de zwaarst mogelijke bestraffing. En Allah is beslist niet onwetend met betrekking tot wat jullie doen.
86. Dit zijn de mensen die het leven van deze wereld kopen ten koste van het hiernamaals.  Hun bestraffing zal dus niet worden verlicht en ze zullen ook niet worden geholpen. 
Schande in dit leven en een onverminderd zware straf in het hiernamaals! Pak aan! De Koran mag dan schromelijk tekortschieten in het verschaffen van de nodige helderheid, het boek laat er geen enkele twijfel over bestaan dat de Joden er flink van langs zullen krijgen.

zaterdag 29 januari 2011

Pot en ketel

Soera 2:75-78

Sommige passages in de Koran zijn beledigend bedoeld maar hebben een lachwekkend effect. Het gaat dan om plaatsen waar anderen het verwijt krijgen dat ze met de boeken hebben zitten knoeien. Want als er nou één boek is dat bol staat van valse citaten en tegendraadse interpretaties dan is het de Koran wel. Zo'n verwijt lezen we bijvoorbeeld in het volgende vers.
75. Hopen jullie dan dat zij in jullie zullen geloven? Een partij van hen had inderdaad wel oren naar het woord van Allah, toen veranderden ze het nadat ze het hadden begrepen, en ze weten het.
De bewering is dus dat anderen - uit het voorgaande weten we dat dat Joden zijn - het "Woord van Allah" gehoord en begrepen hebben en er vervolgens een eigen draai aan gaven. Wij zouden zeggen: die het gelezen hebben, maar in de tijd dat de Koran ontstond waren veel mensen analfabeet en moesten ze het dus hebben van het voorgelezen krijgen of van horen zeggen.

Wie de Koran en de Bijbel kent en een beetje redelijk is zal toch moeten toegeven dat de Koran er wat de Bijbelse verhalen betreft een potje van maakt. Zo ongeveer alle helden uit de Bijbel worden in de Koran als moslims avant la lettre opgevoerd en de meeste verhalen zijn verminkt of verhaspeld. Vóór de Koranschrijver spreekt misschien dat op hem niet van toepassing is dat hij het oorspronkelijke verhaal goed kende, laat staan begreep. Hij kan zich hebben verlaten op derderangs bronnen die hij (ten onrechte) vertrouwde. Maar de schrijver is wel heel erg overtuigd van het eigen gelijk, en dat kleurt zijn beeld van de mensen die het echt beter weten:
76. En als ze hen ontmoeten die geloven, zeggen zij: "Wij geloven", en als ze alleen onder elkaar zijn zeggen ze: "Praat jij met ze over wat Allah aan jou heeft onthuld...?"
Hier worden "ze" toch wel tamelijk zwart gemaakt. Want de schrijver verdenkt de joden er hier van dat ze tegen de moslims zeggen dat ze gelovigen zijn, maar onderling en in het geniep afspreken die moslims dom te houden. Je krijgt de indruk dat de schrijver erbij was, want hoe weet hij dit soort dingen anders? Hoe dan ook, wat de schrijver ons hier wil laten geloven is dit: "De leerstellingen die wij, moslims, verkondigen, zijn de juiste. De Mensen van het Boek weten dit ook wel, maar zij houden hun geschriften voor ons achter. Gelukkig hebben wij de openbaringen van Allah."
77. Weten zij niet dat Allah weet wat ze geheim houden wat ze bekend maken?
Vers 78 tenslotte maakt de omkering compleet:
78. En onder hen zijn ongeletterden die het boek niet kennen, alleen leugens, en ze slaan er maar een slag naar.
Met die ongeletterden doelt de schrijver dus niet op mensen van zijn eigen stroming, hoewel daar ook de nodige analfabeten onder moeten zijn geweest. En dat is jammer, want een vermaning aan het adres van de eigen goegemeente had de moslims er misschien toe aangezet lezen en schrijven te leren en zich vervolgens te verdiepen in de Boeken waarover de Koran steeds zo hoog opgeeft. In plaats daarvan geeft de schrijver anderen de schuld van de meningsverschillen. Deze twee gebreken, analfabetisme en anderen de schuld geven, kenmerken de islamitische wereld tot op de dag van vandaag.

woensdag 12 januari 2011

Een koe A.U.B.

Soera 2:67-71

Alle soera's in de Koran hebben een naam gekregen die iets zegt over een onderwerp dat in de betreffende soera aan de orde komt. Bij soera 2 is dat "de koe", naar het korte verhaal dat bij vers 67 begint:
67. En toen Moesa tot zijn volk zei: "Zeker, Allah geeft u de opdracht dat u een koe moet slachten", toen zeiden zij: "Probeert u ons bij de neus te nemen?" (En) hij zei: Allah mag me halen als ik van de onwetenden ben!
Het eerste vers van het verhaal is meteen al problematisch. Om te beginnen zou Allah opdracht hebben gegeven aan "zijn volk" (dat moeten de Joden dan wel zijn) om een koe te offeren. Nu heeft Allah natuurlijk nooit iets bij monde van Mozes tegen de Joden gezegd, dat was namelijk Jahweh. Moslims bedoelen met Allah wel dezelfde, maar het is toch opvallend dat de naam Allah talloze malen in de Koran voorkomt en Jahweh nooit. Enfin, dat is een kwestie van gewoonte zullen we maar zeggen. Vreemder is dat het offeren van de koe nogal uit de lucht komt vallen. Waarom moet er eigenlijk geofferd worden? De Bijbel geeft het antwoord. We lezen in Numeri 19:
1. De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: [2] Dit is de wetsverordening die de HEERE geboden heeft: Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij een rode koe zonder enig gebrek bij u moeten brengen, waaraan geen onvolkomenheid is, waarop nog geen juk gekomen is.
Het waarom? Dat vinden we iets verderop:
9. En iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en buiten het kamp op een reine plaats wegleggen. Die as is voor de gemeenschap van de Israëlieten om te bewaren, bestemd voor reinigingswater. Het is een middel tot ontzondiging.
Wat je ook van deze stukjes tekst in Numeri denkt, ze zijn wel duidelijk. Ze zijn bovendien onderdeel van een veel groter geheel van instructies met betrekking tot de tempeldienst, offervoorschriften, reinheidswetten en dergelijke. Ze staan dus in een logisch verband.

De tekst in de Koran staat echter in verband met iets heel anders, namelijk in het kader van kwaadsprekerij. Meteen in vers 67 ontstaat een polemiek tussen Mozes en het volk dat hij toespreekt: het volk verdenkt Mozes ervan dat hij hen in de maling neemt, Mozes op zijn beurt voelt zich voor gek versleten. Dat begint al goed.
68. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer wat het (voor koe) moet zijn!" Hij zei: Hij zegt: niet oud of jong, maar ertussenin. Doe (nu) wat je is opgedragen!"
Het volk gaat moeilijk doen en vraagt om nadere specificaties. Mozes geeft hen die, en eist dan onmiddellijke uitvoering van het gebod. Veel gezag heeft Mozes echter niet, dat bleek al uit vers 67, en het volk vraagt doodleuk om méér details:
69. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer wat voor kleur het moet hebben." Hei zei: Hij zegt: helder geel, een lust voor het oog!"
Boodschappenjongen Mozes geeft de gewenste details, en dit herhaalt zich nog een keer:
70. Ze zeiden: "Vraag voor ons aan uw heer om ons duidelijk te maken wat voor soort koe het moet zijn, want wij vinden dat alle koeien op elkaar lijken; als Allah het wil zal hij ons leiden".
71. Hij (Mozes) zei: Hij zegt: zeker, het moet een koe zijn die niet onderworpen is aan arbeid op het land, noch voor irrigatie op het land, volkomen zonder vlek." Ze zeiden: "Nu bent u met de waarheid gekomen." Toen offerden ze het (dier), maar liever hadden ze het niet gedaan.
De lezer kan nauwelijks ontkomen aan de boodschap van de Koranschrijver, namelijk dat de Joden hun God met grote tegenzin dienen. In Numeri lezen we hier wel niets over, maar de Koranschrijver weet het natuurlijk beter. Dat is vanzelfsprekend een waarheid als een koe.

zondag 2 januari 2011

Manna

Soera 2:61

In de Koran zijn veel fragmenten te vinden die erop wijzen dat de schrijver tenminste iets wist van wat er zoal in de Bijbel staat. Het volgende stukje doet sterk denken aan Numeri 11:
61. En herinner je dat jullie zeiden: "O Moesa! we kunnen niet (langer) één soort voedsel verdragen; vraag voor ons aan de Heer om voor ons uit de aarde te laten voortkomen: kruiden, komkommers, knoflook, linzen en uien." ...
In Numeri 11:4-5 vinden we: Wie zal ons vlees te eten geven? Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook. Het verlanglijstje in Numeri heb ik even vet gemaakt. In de Koran is het lijstje letterlijk vlees noch vis! Ook geen watermeloenen, maar daarvoor in de plaats dan weer wel linzen. Waar komen deze verschillen toch vandaan?!

De term "één soort voedsel" snappen de Bijbellezers onder ons wel: dat is het manna, een suikerachtig goedje dat het volk Israël volgens de Tora te eten kreeg tijdens de woestijnreis na het vertrek uit Egypte. De Koranschrijver lijkt dit niet te weten, ook niet dat het volk met name om vlees vroeg, vandaar het ontbreken van vlees en vis in het soera-verlanglijstje. Uit het vervolg blijkt dat de schrijver ook niet weet hoe het verhaal verder gaat. Hij geeft er een heel eigen draai aan:
(61) ... Hij zei: "Wil je het betere vervangen door het slechtere? Ga naar een nederzetting en je zult vinden waar je om hebt gevraagd!" ...
de (vermoedelijke) "kwakkel"
In Numeri is dit het moment waarop de kwartels verschijnen, de kwartels die ook worden genoemd in deze soera, al eerder in vers 57:
57. En wij waren als wolken over jullie en stuurden jullie manna en kwakkels, ...
Het vervolg in de Koran (vers 61) is duidelijk niet goed, want in de woestijn waar het volk Israël rondzwierf waren geen woonplaatsen, en al helemaal niet op zo uitgebreide schaal dat ze "een nederzetting" konden kiezen om er groenten voor het hele volk te gaan halen. Hoe dan ook, bij de groenteman kregen ze kennelijk nul op het rekest:
(61) ... Ze werden bedolven onder vernedering en ellende en haalden de woede van Allah over zich heen....
Wat er hier volgens de schrijver gebeurde wordt verder niet uitgelegd, wij moeten dat kennelijk maar raden of ergens anders opzoeken.

Tot slot nog één fragmentje van dit lange vers:
(61) ... Dat was omdat zij de tekenen van Allah ontkenden en de profeten onrechtmatig doodden...
Het verwijt van "het ontkennen van de tekenen" (letterlijker: "de tekenen bedekken") komt veel voor in de Koran. Het is een soort mantra dat steeds herhaald wordt als de Grote Fout van de "ongelovigen". Dat andere verwijt, het "doden van Zijn Boodschappers", is trouwens een anachronisme. En tenslotte: in de tijd van Mohammed was het juist de profeet (Mohammed) die anderen over de kling joeg.